vrijdag 12 december 2014

Op het schrijversstrand (9) – Borger


Op de oude begraafplaats van Katwijk aan Zee ligt een groot dichter begraven. Hij ligt er onder een eenvoudige steen, die alleen zijn naam vermeldt: 'Borger'. De steen markeert het einde van een bewogen leven.

Elias Annes Borger (Davidson, pinx. – Steend. L. Springer, Leijden),
Universiteitsbibliotheek Leiden, sign. 2255 A.

Elias Annes Borger wordt geboren in Joure in Friesland op 26 februari 1784. Als hij drie jaar is, leest hij al hele stukken uit de Bijbel. Later, op de dorpsschool, is hij zijn medeleerlingen en onderwijzers in alle vakken de baas. Zijn vader probeert hem nog een ambacht te laten leren, maar als hij zeventien jaar is, trekt hij naar Leiden om er theologie te gaan studeren. De veelbelovende student promoveert er in 1807 tot doctor, en nadat in 1815 de Fransen vertrokken zijn, wordt hij ook nog hoogleraar in zijn vak. In 1817 gevolgd door een hoogleraarschap in de algemene geschiedenis en Griekse letterkunde.

Thuis kent het leven van Borger minder geluk. Op 31 augustus 1814 treedt hij in het huwelijk met Abrahamina van der Meulen. Tien maanden later, op 16 juni 1815, wordt hun zoontje geboren. Maar enkele dagen later sterft de moeder in het kraambed. Borger blijft achter met het kind en is ontroostbaar.
Na vier jaar, op 15 april 1819, trouwt Borger opnieuw, nu met Cornelia Scheltema. Maar na tien maanden, in februari 1820, treft hem opnieuw het noodlot, als hun dochtertje wordt geboren, dat kort na de geboorte sterft, en enkel dagen daarna de moeder. Borger raakt in een diepe depressie, waar hij niet meer uit komt.

E.A. Borger, 'Aan den Rhijn', 1e en 2e strofe, handschrift,
Universiteitsbibliotheek Leiden, sign. LTK 1216.


Na de begrafenis van eerst zijn dochtertje en daarna zijn vrouw, schrijft Borger zijn ode 'Aan den Rhijn'. De Rijn, de Oude Rijn, die bij Katwijk in zee stroomt. De eerste strofe geeft een beschrijving van de rivier, die 'als grootvorst van Europa's stroomen (...) van der Alpen top gedaald, de stranden kust'. Ze vormt de inleiding op wat komen gaat, het diep menselijk leed dat in de volgende strofen verwoord wordt. Want daar waar de Rijn in zee stroomt, liggen zijn vrouw en kind begraven. Hij wil maar liever bij hen zijn, lezen we in de laatste regels van het gedicht. Een wens die kort daarna in vervulling gaat. Borger sterft op 12 oktober 1820 en wordt begraven bij zijn dierbaren. 


Aan den Rhijn,
in de
Lente van het jaar 1820

Zoo rust dan eindlijk 't ruwe Noorden
Van hageljagt en stormgeloei,
En rolt de Rhijn weêr langs zijn boorden,
Ontslagen van de winterboei.
Zijn waatren drenken de oude zoomen,
En 't landvolk, spelende aan zijn vloed,
Brengt vader Rhijn den lentegroet,
Als grootvorst van Europa's stroomen,
Die, van der Alpen top gedaald,
De stranden kust of scheurt de dijken,
De wereld splitst in koningrijken,
En 't vorstlijk regtsgebied bepaalt.

Ook ik heb onbewolkte dagen
Aan dezen oever doorgebragt,
En warm heeft mij het hart geslagen
Bij 't levenslot, mij toegedacht.
Een morgen gronds, een kleine woning,
Verheerlijkt door de liefde en trouw,
Was mij en mijner brave vrouw
De lusthof van den rijksten koning.
Als wij, in 't kunsteloos prieel,
Of onder 't ruim der starredaken,
Van God en 't eeuwig leven spraken,
En dankten voor 't bescheiden deel.

En nu – ik kan mijn haren tellen,
Maar wie telt mijner tranen tal?
Eer keert de Rhijn weêr tot zijn wellen,
Eer ik den slag vergeten zal,
Dien slag, die mij ten tweeden male
De kroon deed vallen van het hoofd. –
'k Heb steeds, mijn God, aan U geloofd,
En zal, zoo lang ik adem hale,
Mij sterken in uw vadertrouw,
Die nimmer plaagt uit lust tot plagen:
Maar toch, het valt mij zwaar, te dragen
Dien zwaren last van dubblen rouw!

Te Katwijk, waar de zoute golven,
O Rhijn! u wachten in haar schoot,
Daar ligt in 't schrale zand bedolven
Mijn kostbaar offer aan den dood.
'k Wil tranen met uw waatren mengen;
Belast u met dien zilten vloed:
De droeve zanger heeft geen moed,
Die tranen op het graf te plengen
Der gade, nooit genoeg beschreid. –
Gij, oude Rhijn! wees gij mijn bode,
En voer ter rustplaats mijner doode
De tolken mijner menschlijkheid.

Groet ook het kind, welks lijkje de aarde
Reeds had ontvangen in haar schoot,
Eer zij, die mij dat lijkje baarde,
Voor 't levenslicht hare oogen sloot.
Ik heb mijn dochtertje opgegraven,
Toen 't pleit der moeder was beslist,
En lei het in de groote kist
En aan de borst, die 't wicht moest laven,
Dat nimmer laafnis noodig had.
Ik dacht, één huis behoort aan beiden:
Wat God vereent, zal ik niet scheiden;
En sloot in de urn den dubblen schat.

Noem' hij deze aarde een hof van Eden,
Wie altijd mogt op rozen gaan:
Ik wensch geen stap terug te treden
Op de afgelegde levensbaan.
Ik reken iedren dag gewonnen,
Met moeite en tranen doorgesloofd.
God dank, mij draaiden boven 't hoofd
Reeds meer dan vijf en dertig zonnen!
De tijd rolt, als deez' bergstroom, voort.
Druk zacht mijn dooden, lijkgesteente!
En dek ook eerlang mijn gebeente
Bij 't overschot, dat mij behoort.


Borgers ode 'Aan den Rhijn' raakt landelijk bekend en wordt veelvuldig door iedereen gereciteerd. Het gedicht wordt ook vertaald, in het Frans, Duits, Engels en Latijn.

E.A. Borger, 'Aan den Rhijn', 3e en 4e strofe, handschrift,
Universiteitsbibliotheek Leiden, sign. LTK 1216.

E.A. Borger, 'Aan den Rhijn', 5e en 6e strofe, handschrift,
Universiteitsbibliotheek Leiden, sign. LTK 1216.


Bronnen:
Elias Annes Borger, Gedichten. De Jouwer [Joure], De Hynsteblom, 1984, pp. 5-19, 114-117. 
Peter van Zonneveld, 'Ellendig leven. Elias Annes Borger'. In: De Gids, 1983, jrg. 146, pp. 469-474.

Met dank aan Teun Barnhoorn.

1 opmerking:

  1. Prachtig verhaal. Aan E.A. Borger is ook aandacht geschonken in de tv-serie 'Sporen van Vroeger' van RTV Katwijk. Klik op deze link https://www.youtube.com/watch?v=rwUFUXN9OmQ
    en scroll naar 16 minuut 10 (16:10)

    BeantwoordenVerwijderen